Tijdens je normale
dagelijkse bezigheden sta je niet altijd stil bij het
feit hoe goed wij het hier in Nederland hebben.
Waarschijnlijk is dat ook maar goed ook, omdat je ook
hier moet kunnen leven zonder een schuldgevoel. Maar
als je als nieuwbakken Sovata-reiziger weer terug
komt in Nederland komt de welvaart je wel erg rauw
tegemoet. Zo ook voor de familie de Boer. Zij
concluderen tenslotte: ‘Dit zouden eens meer
Nederlanders moeten doen’.
We
schrijven mei 2004 wanneer we op weg gaan naar het
voor ons onbekende Roemenië. Op weg naar het
kindertehuis in Sovata dat al enige tijd een speciaal
plekje in ons hart heeft. Onderweg naar ons gastgezin
en naar al die mensen uit Sovata die zich
onbaatzuchtig inzetten om hun minder bedeelde
plaatsgenoten te helpen en voor ons onmisbaar zijn
met hun tolkwerkzaamheden.
Onbekend voor ons?
Nou niet helemaal, we hadden immers een film over
Sovata gezien en met de foto’s en brieven die we
onder ogen hebben gehad, was er bij ons al een beeld
van wat ons te wachten zou staan, maar het met eigen
ogen ervaren is toch heel anders.
Er werd vroeg
gestart want de reistijd was gepland op twee dagen.
Dat betekende dat we iedere dag flink door moesten
rijden, vooral omdat we wisten dat het laatste
gedeelte van de reis de wegen van slechte kwaliteit
waren. Het was een boeiende reis waar onderweg genoeg
te zien was. Na de overnachting vlak voor de
Hongaarse grens werd al snel duidelijk dat de
levensstandaard in de Oostbloklanden niet in de
schaduw kan staan van wat we in West Europa gewend
zijn. Nadat we zonder oponthoud over de
Hongaars/Roemeense grens gereden waren, werd dit nog
duidelijker. We waanden ons in de tijd van onze
basisschool met platen van Jetzes aan de muur.
Je zag op een groot veld 10 of meer personen op een
rij staan die naast elkaar de grond bewerkten. Een
man voor het paard met de ploeg en een man achter de
ploeg. De vele paard en wagentjes die we gezien
hebben, waren een nostalgisch gezicht. Voor ons was
het opvallend dat het wegdek enorme gaten vertoonde
waar we al laverend langs moesten. Regenbuien
toverden de ongeharde zijwegen om in modderige
bospaden. We hebben veel simpele onderkomens gezien,
vele met een moestuin, kippen of een hond en met een
heuse plee achter in de tuin (probeer zo’n
voorziening eens in de winter uit…). En dan de
gastvrije inwoners: alle gastgezinnen die we hebben
opgezocht; we werden bijna ‘verlegen’ van hun
gastvrijheid. Ondanks hun armoede werden we geweldig
onthaald.
En toen ‘ons’
kindertehuis. Het was nog lang niet af en de tijd
begon te dringen, want in augustus moest het klaar
zijn. Na enig overleg werd een legertje werklieden
opgetrommeld en kwam het toch op tijd klaar. We zijn
zeker van plan weer terug te gaan naar Sovata om te
zien hoe alles er uitziet als het af is en hoe het
met de kinderen en hun gastouders in het nieuwe huis
gaat. In dit mooie huis waar volgens ons ieder kind
heerlijk kan opgroeien. Er is naast ouderliefde
voldoende te eten en de kinderen kunnen er naar
hartelust spelen en naar hun school toe gaan. We zijn
er trots op mee te kunnen helpen om dat te
bewerkstelligen.
We zijn in de twee
weken dat we in Roemenië zijn geweest onder de indruk
geraakt van het mooie land met haar arme inwoners,
die onder moeilijke omstandigheden moeten leven en
die met onze steun een iets draaglijker bestaan
kunnen leiden. Onze conclusie na dit
Roemenië-avontuur is dat wij in Nederland
onvoorstelbaar rijk zijn. Dit zouden eens meer
Nederlanders moeten proberen! Ga ook een keer naar
Roemenië, dan waardeer je alles wat je hebt nog meer!
Jelle en Sietske de Boer, Diepenveen